reageer op dit artikel

2 juni 2017 – In Nederland lijkt de kwaliteit van werk af te nemen. Het gaat dan om een vermindering in mentaal uitdagend werk, in autonomie en in promotiemogelijkheden. Peter Smulders en Seth van den Bossche stellen dit vast in ‘Dynamiek op de Nederlandse arbeidsmarkt’, een publicatie van CBS en TNO. 15 procent van de Nederlandse werknemers werkt in beroepen die dicht in de buurt komen van een zogenaamde ‘bad job’. Dit zijn koks en kelners, postpersoneel, winkelpersoneel, schoonmakers en bejaarden- en kinderverzorgers. Het werk van deze beroepsgroepen is vaak fysiek zwaar, weinig uitdagend, weinig autonoom, flexibel, in deeltijd en met een relatief grote mate van baanonzekerheid.

Een ‘good job’ voldoet aan de volgende voorwaarden: een goede beloning; een goeie pensioenregeling en sociale verzekering; een redelijke mate van autonomie bij het uitvoeren van de eigen werkzaamheden; en een zekere mate van controle over eigen arbeidstijden.

Vooral de banen van leidinggevenden en vakspecialisten (zoals ingenieurs, architecten, juristen, bedrijfsadviseurs, en ook ICT-beroepen) worden door de auteurs aangemerkt als good jobs. Een van de factoren die bepalen of een baan een good of een bad job is, is de baanzekerheid. Deze is tussen 2006 en 2016 duidelijk afgenomen. Het aandeel werkenden met een vaste arbeidsrelatie daalde met 10 procent van 71 procent naar 61 procent.

Laagopgeleiden en jongeren hebben vaker  geen vast dienstverband en zij worden vaker werkloos na baanverlies. Ook voor ouderen is het niet altijd makkelijk op de arbeidsmarkt. Zij worden weliswaar minder vaak werkloos dan jongeren, maar als ze hun baan wel kwijtraken, is het voor hen veel moeilijker om ander werk te vinden. Gaan ze weer aan het werk, dan is dat meestal in een flexbaan of als zelfstandige. Ouderen in een flexibele baan stromen bovendien minder vaak door naar een vaste baan dan werkenden van middelbare leeftijd. (Bron: PWNet)

Close
Go top